bonken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bonken

The word "bonken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bonken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bonkend
Past participle - Verleden deelwoord: gebonkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbonk
jijbonkt
hijbonkt
wijbonken
julliebonken
zijbonken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebonkt
jijhebt gebonkt
hijheeft gebonkt
wijhebben gebonkt
julliehebben gebonkt
zijhebben gebonkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbonkte
jijbonkte
hijbonkte
wijbonkten
julliebonkten
zijbonkten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebonkt
jijhad gebonkt
hijhad gebonkt
wijhadden gebonkt
julliehadden gebonkt
zijhadden gebonkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bonken
jijzult bonken
hijzal bonken
wijzullen bonken
julliezullen bonken
zijzullen bonken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebonkt hebben
jijzult gebonkt hebben
hijzal gebonkt hebben
wijzullen gebonkt hebben
julliezullen gebonkt hebben
zijzullen gebonkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bonken
jijzou bonken
hijzou bonken
wijzouden bonken
julliezouden bonken
zijzouden bonken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebonkt hebben
jijzou gebonkt hebben
hijzou gebonkt hebben
wijzouden gebonkt hebben
julliezouden gebonkt hebben
zijzouden gebonkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbonk

Verbs similar to 'bonken'

Translations

  • fuck, to have sexual intercourse—obscene or vulgar
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Ze bonkte als een zak aardappelen tegen het been van de reus. (She banged against the giant's leg like a sack of potatoes.)

    Etymology

    Onomatopoeic.

    Verbs referencing "bonken"

    English bounce.

    Additional Information