tellen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tellen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tellen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tellend
Past participle - Verleden deelwoord: geteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktel
jijtelt
hijtelt
wijtellen
jullietellen
zijtellen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geteld
jijhebt geteld
hijheeft geteld
wijhebben geteld
julliehebben geteld
zijhebben geteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktelde
jijtelde
hijtelde
wijtelden
jullietelden
zijtelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geteld
jijhad geteld
hijhad geteld
wijhadden geteld
julliehadden geteld
zijhadden geteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tellen
jijzult tellen
hijzal tellen
wijzullen tellen
julliezullen tellen
zijzullen tellen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geteld hebben
jijzult geteld hebben
hijzal geteld hebben
wijzullen geteld hebben
julliezullen geteld hebben
zijzullen geteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tellen
jijzou tellen
hijzou tellen
wijzouden tellen
julliezouden tellen
zijzouden tellen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geteld hebben
jijzou geteld hebben
hijzou geteld hebben
wijzouden geteld hebben
julliezouden geteld hebben
zijzouden geteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtel

Translations

  • count, to enumerate or determine number
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bedragen
    bevatten, hebben

    Sample Sentences

    • Den 30 September. Het was thans de ongelukkige verjaardag van mijne aankomst. Ik telde de kerven op mijn staak, en vond dat ik driehonderd vijfenzestig dagen aan land was geweest. Ik beschouwde dezen dag als een feestdag, en bragt dien door in godsdienstige overdenkingen. Ik wierp mij [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] twintig mannen, twee vrouwen en een kind hadden gegeten. Hij kon in het Engelsch niet tot twintig tellen, maar hij wees het mij door zooveel steentjes naast elkander te leggen en mij die te laten tellen. (Robinson Crusoe)
    • [...] eenige warmte bijvoegde: " Wij redden die blanke menschen van verdrinken ! " Ik vroeg dadelijk of er eenige blanken in de boot waren geweest.—"Ja de boot vol, " zeide hij. Ik vroeg, hoeveel ? Hij telde op zijne vingers tot zeventien. Op mijne vraag wat er van hen geworden was, zeide hij: " Zij leven, zij wonen bij mijn volk. " (Robinson Crusoe)

    Etymology

    1. From Middle Dutch tellen, from Old Dutch tellen, from Proto-West Germanic *talljan, from Proto-Germanic *taljaną.
    2. Equivalent to tal (“number”) + -en (“denominative”) or taal (“language”) + -en (“denominative”) and shows the effect of historical umlaut. See: Proto-Germanic '*taljaną'.

    Verbs referencing "tellen"

    English tell, Afrikaans tel, Low Saxon tellen, Luxembourgish zielen, Sranan teri, German, Pennsylvania zaehle.

    Additional Information