taxeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of taxeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: taxeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: taxerend
Past participle - Verleden deelwoord: getaxeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktaxeer
jijtaxeert
hijtaxeert
wijtaxeren
jullietaxeren
zijtaxeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getaxeerd
jijhebt getaxeerd
hijheeft getaxeerd
wijhebben getaxeerd
julliehebben getaxeerd
zijhebben getaxeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktaxeerde
jijtaxeerde
hijtaxeerde
wijtaxeerden
jullietaxeerden
zijtaxeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getaxeerd
jijhad getaxeerd
hijhad getaxeerd
wijhadden getaxeerd
julliehadden getaxeerd
zijhadden getaxeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal taxeren
jijzult taxeren
hijzal taxeren
wijzullen taxeren
julliezullen taxeren
zijzullen taxeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getaxeerd hebben
jijzult getaxeerd hebben
hijzal getaxeerd hebben
wijzullen getaxeerd hebben
julliezullen getaxeerd hebben
zijzullen getaxeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou taxeren
jijzou taxeren
hijzou taxeren
wijzouden taxeren
julliezouden taxeren
zijzouden taxeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getaxeerd hebben
jijzou getaxeerd hebben
hijzou getaxeerd hebben
wijzouden getaxeerd hebben
julliezouden getaxeerd hebben
zijzouden getaxeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtaxeer

Translations

  • appraise, determine value or worth
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afwegen
    begroten, inschatten, ramen, schatten

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch taxeren, borrowed from Old French taxer. See: Old French 'taxer'.

    Verbs referencing "taxeren"

    Indonesian taksir.

    Additional Information