strijken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of strijken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: strijken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: strijkend
Past participle - Verleden deelwoord: gestreken

Cognates

See the 7 cognates of strijken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstrijk
jijstrijkt
hijstrijkt
wijstrijken
julliestrijken
zijstrijken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestreken
jijhebt gestreken
hijheeft gestreken
wijhebben gestreken
julliehebben gestreken
zijhebben gestreken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstreek
jijstreek
hijstreek
wijstreken
julliestreken
zijstreken

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestreken
jijhad gestreken
hijhad gestreken
wijhadden gestreken
julliehadden gestreken
zijhadden gestreken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal strijken
jijzult strijken
hijzal strijken
wijzullen strijken
julliezullen strijken
zijzullen strijken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestreken hebben
jijzult gestreken hebben
hijzal gestreken hebben
wijzullen gestreken hebben
julliezullen gestreken hebben
zijzullen gestreken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou strijken
jijzou strijken
hijzou strijken
wijzouden strijken
julliezouden strijken
zijzouden strijken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestreken hebben
jijzou gestreken hebben
hijzou gestreken hebben
wijzouden gestreken hebben
julliezouden gestreken hebben
zijzouden gestreken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstrijk

Translations

  • abase, to lower physically
  • stroke, to move one's hand or an object over the surface of
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    opstrijken
    ontvangen, winnen
    vegen
    aaien, wrijven
    uitstrijken
    uitsmeren
    neerhalen
    neerlaten

    Sample Sentences

    • [...] en volgens de gewoonte der matrozen, den tijd sleet met allerlei vrolijkheid. Eindelijk werd den achtsten dag, des morgens, de wind zoo hevig, dat alle man aan het werk moest om de stengen te strijken, ten einde den wind zoo weinig vat als mogelijk te laten. Tegen den middag ging de zee vreesselijk hoog, ons schip kreeg verscheidene stortzeeën over, en eens of twee malen dachten wij dat het anker [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] op een voegzamen afstand, maar gaf hun door teekens te kennen, dat ik voornamelijk wat eten wenschte. Zij wezen mij, dat ik de boot stil zou doen liggen, en dat zij mij wat spijs zouden bezorgen. Ik streek mijn zeil gedeeltelijk en draaide bij, en twee hunner liepen landwaarts in, en kwamen een halfuur daarna terug, met twee stukken gedroogd vleesch, en eenig koorn, gelijk het land daar oplevert. [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] doch hierover bedacht ik mij niet lang. Ik legde er eerst al de planken op, die ik bekomen kon, en na wel overwogen te hebben, wat ik het meest noodig had, maakte ik drie matrozenkisten ledig, en streek die op het vlot. De eerste vulde ik met eetwaren, te weten brood, rijst, drie Hollandsche kazen, vijf stukken gedroogd geitenvleesch, dat wij veel aten, en een klein weinig Europeesch koorn, dat wij [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch striken, from Old Dutch *strīcan, from Proto-West Germanic *strīkan, from Proto-Germanic *strīkaną, from Proto-Indo-European *streyg-. See: Middle Dutch 'striken', Proto-Germanic '*strīkaną'.

    Verbs referencing "strijken"

    English strike, German, old spelling streichen, Old English strican, Low Saxon strieken, Luxembourgish sträichen, Frisian, Saterlandic strieke.

    Additional Information