smeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of smeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: smeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: smerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesmeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksmeer
jijsmeert
hijsmeert
wijsmeren
julliesmeren
zijsmeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesmeerd
jijhebt gesmeerd
hijheeft gesmeerd
wijhebben gesmeerd
julliehebben gesmeerd
zijhebben gesmeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksmeerde
jijsmeerde
hijsmeerde
wijsmeerden
julliesmeerden
zijsmeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesmeerd
jijhad gesmeerd
hijhad gesmeerd
wijhadden gesmeerd
julliehadden gesmeerd
zijhadden gesmeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal smeren
jijzult smeren
hijzal smeren
wijzullen smeren
julliezullen smeren
zijzullen smeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesmeerd hebben
jijzult gesmeerd hebben
hijzal gesmeerd hebben
wijzullen gesmeerd hebben
julliezullen gesmeerd hebben
zijzullen gesmeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou smeren
jijzou smeren
hijzou smeren
wijzouden smeren
julliezouden smeren
zijzouden smeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesmeerd hebben
jijzou gesmeerd hebben
hijzou gesmeerd hebben
wijzouden gesmeerd hebben
julliezouden gesmeerd hebben
zijzouden gesmeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsmeer

Translations

  • oil, lubricate with oil
  • spread, to smear, distribute in a thin layer
  • grease, put grease or fat on something
  • grease, to bribe
  • lubricate, to make slippery or smooth
  • smear, to spread (a substance)
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    invetten
    oliën
    besmeren
    uitsmeren
    verdwijnen
    weglopen

    Antonyms

    verdwijnen
    standhouden, aanhouden, doorzetten, voortduren

    Sample Sentences

    • Ik zag twee beren broodjes smeren. (I saw two bears buttering breadrolls.)
    • Je fiets moet nodig gesmeerd worden. (Your bicycle badly needs to be oiled.)
    • Ik pak mijn koffers en ik smeer hem nu. (I'm packing my bags and I'm leaving now.)

    Etymology

    From Middle Dutch smeren, from Old Dutch *smirwen, from Proto-West Germanic *smirwijan, from Proto-Germanic *smirwijaną, from *smerwą (“grease, fat”) (modern smeer). See: Proto-Germanic '*smirwijaną'.

    Verbs referencing "smeren"

    English smear, German, old spelling schmieren, Luxembourgish schmieren, Alemannic German schmirre.

    Additional Information