schofferen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schofferen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schofferen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schofferend
Past participle - Verleden deelwoord: geschoffeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschoffeer
jijschoffeert
hijschoffeert
wijschofferen
jullieschofferen
zijschofferen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschoffeerd
jijhebt geschoffeerd
hijheeft geschoffeerd
wijhebben geschoffeerd
julliehebben geschoffeerd
zijhebben geschoffeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschoffeerde
jijschoffeerde
hijschoffeerde
wijschoffeerden
jullieschoffeerden
zijschoffeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschoffeerd
jijhad geschoffeerd
hijhad geschoffeerd
wijhadden geschoffeerd
julliehadden geschoffeerd
zijhadden geschoffeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schofferen
jijzult schofferen
hijzal schofferen
wijzullen schofferen
julliezullen schofferen
zijzullen schofferen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschoffeerd hebben
jijzult geschoffeerd hebben
hijzal geschoffeerd hebben
wijzullen geschoffeerd hebben
julliezullen geschoffeerd hebben
zijzullen geschoffeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schofferen
jijzou schofferen
hijzou schofferen
wijzouden schofferen
julliezouden schofferen
zijzouden schofferen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschoffeerd hebben
jijzou geschoffeerd hebben
hijzou geschoffeerd hebben
wijzouden geschoffeerd hebben
julliezouden geschoffeerd hebben
zijzouden geschoffeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschoffeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information