schelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schelend
Past participle - Verleden deelwoord: gescheeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikscheel
jijscheelt
hijscheelt
wijschelen
jullieschelen
zijschelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gescheeld
jijhebt gescheeld
hijheeft gescheeld
wijhebben gescheeld
julliehebben gescheeld
zijhebben gescheeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikscheelde
jijscheelde
hijscheelde
wijscheelden
julliescheelden
zijscheelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gescheeld
jijhad gescheeld
hijhad gescheeld
wijhadden gescheeld
julliehadden gescheeld
zijhadden gescheeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schelen
jijzult schelen
hijzal schelen
wijzullen schelen
julliezullen schelen
zijzullen schelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gescheeld hebben
jijzult gescheeld hebben
hijzal gescheeld hebben
wijzullen gescheeld hebben
julliezullen gescheeld hebben
zijzullen gescheeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schelen
jijzou schelen
hijzou schelen
wijzouden schelen
julliezouden schelen
zijzouden schelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gescheeld hebben
jijzou gescheeld hebben
hijzou gescheeld hebben
wijzouden gescheeld hebben
julliezouden gescheeld hebben
zijzouden gescheeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijscheel

Translations

  • ail, to cause to suffer
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    haperen
    mankeren, schorten

    Sample Sentences

    • [...] male schipbreuk geleden, hetgeen mij het hart zou gebroken hebben. Daar ik niets van de kust wist, geraakte mijn vlot aan het eene einde op eene zandbank vast, en daar het andere einde vlot was, scheelde het weinig, of al mijne lading was naar dien kant gerold, die vlot was, en zoo in het water gevallen. Ik deed mijn uiterste best, door met mijn rug de kisten tegen te houden, alles op zijne plaats [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] voor mij geschreven waren; waarom anders zou ik ze juist aangetroffen hebben, toen ik treurde over mijn toestand, als van God en menschen verlaten. Welaan, zeide ik, zoo God mij niet verlaat, wat scheelt het of de geheele wereld mij verlaat. Zoo ik aan den anderen kant de geheele wereld had, en Gods gunst en zegen verloor, zou het verlies oneindig grooter zijn. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch scillen, from Old Dutch skillen, from Proto-Germanic *skiljaną (“to split, cut, divide”). Related to verschil (“difference”) and English skill. See: Proto-Germanic '*skiljaną'.

    Verbs referencing "schelen"

    English skill.

    Additional Information