ruïneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ruïneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ruïneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ruïnerend
Past participle - Verleden deelwoord: geruïneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikruïneer
jijruïneert
hijruïneert
wijruïneren
jullieruïneren
zijruïneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geruïneerd
jijhebt geruïneerd
hijheeft geruïneerd
wijhebben geruïneerd
julliehebben geruïneerd
zijhebben geruïneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikruïneerde
jijruïneerde
hijruïneerde
wijruïneerden
jullieruïneerden
zijruïneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geruïneerd
jijhad geruïneerd
hijhad geruïneerd
wijhadden geruïneerd
julliehadden geruïneerd
zijhadden geruïneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ruïneren
jijzult ruïneren
hijzal ruïneren
wijzullen ruïneren
julliezullen ruïneren
zijzullen ruïneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geruïneerd hebben
jijzult geruïneerd hebben
hijzal geruïneerd hebben
wijzullen geruïneerd hebben
julliezullen geruïneerd hebben
zijzullen geruïneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ruïneren
jijzou ruïneren
hijzou ruïneren
wijzouden ruïneren
julliezouden ruïneren
zijzouden ruïneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geruïneerd hebben
jijzou geruïneerd hebben
hijzou geruïneerd hebben
wijzouden geruïneerd hebben
julliezouden geruïneerd hebben
zijzouden geruïneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijruïneer

Translations

  • ruin, to cause the economical ruin of
  • bugger, to ruin
  • wreck, to ruin
  • bane, to be the bane of
  • beggar, to make a beggar of someone
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Middle French ruiner.

    Additional Information