resteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of resteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: resteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: resterend
Past participle - Verleden deelwoord: geresteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikresteer
jijresteert
hijresteert
wijresteren
jullieresteren
zijresteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geresteerd
jijhebt geresteerd
hijheeft geresteerd
wijhebben geresteerd
julliehebben geresteerd
zijhebben geresteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikresteerde
jijresteerde
hijresteerde
wijresteerden
jullieresteerden
zijresteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geresteerd
jijhad geresteerd
hijhad geresteerd
wijhadden geresteerd
julliehadden geresteerd
zijhadden geresteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal resteren
jijzult resteren
hijzal resteren
wijzullen resteren
julliezullen resteren
zijzullen resteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geresteerd hebben
jijzult geresteerd hebben
hijzal geresteerd hebben
wijzullen geresteerd hebben
julliezullen geresteerd hebben
zijzullen geresteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou resteren
jijzou resteren
hijzou resteren
wijzouden resteren
julliezouden resteren
zijzouden resteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geresteerd hebben
jijzou geresteerd hebben
hijzou geresteerd hebben
wijzouden geresteerd hebben
julliezouden geresteerd hebben
zijzouden geresteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijresteer

Translations

  • remain, to continue unchanged
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information