arresteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of arresteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: arresteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: arresterend
Past participle - Verleden deelwoord: gearresteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikarresteer
jijarresteert
hijarresteert
wijarresteren
julliearresteren
zijarresteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gearresteerd
jijhebt gearresteerd
hijheeft gearresteerd
wijhebben gearresteerd
julliehebben gearresteerd
zijhebben gearresteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikarresteerde
jijarresteerde
hijarresteerde
wijarresteerden
julliearresteerden
zijarresteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gearresteerd
jijhad gearresteerd
hijhad gearresteerd
wijhadden gearresteerd
julliehadden gearresteerd
zijhadden gearresteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal arresteren
jijzult arresteren
hijzal arresteren
wijzullen arresteren
julliezullen arresteren
zijzullen arresteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gearresteerd hebben
jijzult gearresteerd hebben
hijzal gearresteerd hebben
wijzullen gearresteerd hebben
julliezullen gearresteerd hebben
zijzullen gearresteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou arresteren
jijzou arresteren
hijzou arresteren
wijzouden arresteren
julliezouden arresteren
zijzouden arresteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gearresteerd hebben
jijzou gearresteerd hebben
hijzou gearresteerd hebben
wijzouden gearresteerd hebben
julliezouden gearresteerd hebben
zijzouden gearresteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijarresteer

Translations

  • arrest, to take into legal custody
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aanhouden
    gevangennemen, inrekenen, oppakken, vangen, vastzetten

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch aresteren, from Old French arester (“to stay, stop”). See: Old French 'arester'.

    Additional Information