repeteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of repeteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: repeteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: repeterend
Past participle - Verleden deelwoord: gerepeteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrepeteer
jijrepeteert
hijrepeteert
wijrepeteren
jullierepeteren
zijrepeteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerepeteerd
jijhebt gerepeteerd
hijheeft gerepeteerd
wijhebben gerepeteerd
julliehebben gerepeteerd
zijhebben gerepeteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrepeteerde
jijrepeteerde
hijrepeteerde
wijrepeteerden
jullierepeteerden
zijrepeteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerepeteerd
jijhad gerepeteerd
hijhad gerepeteerd
wijhadden gerepeteerd
julliehadden gerepeteerd
zijhadden gerepeteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal repeteren
jijzult repeteren
hijzal repeteren
wijzullen repeteren
julliezullen repeteren
zijzullen repeteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerepeteerd hebben
jijzult gerepeteerd hebben
hijzal gerepeteerd hebben
wijzullen gerepeteerd hebben
julliezullen gerepeteerd hebben
zijzullen gerepeteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou repeteren
jijzou repeteren
hijzou repeteren
wijzouden repeteren
julliezouden repeteren
zijzouden repeteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerepeteerd hebben
jijzou gerepeteerd hebben
hijzou gerepeteerd hebben
wijzouden gerepeteerd hebben
julliezouden gerepeteerd hebben
zijzouden gerepeteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrepeteer

Translations

  • rehearse, practice by repetition or recitation
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    instuderen
    oefenen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch repeteren, from Middle French repeter.

    Additional Information