rekestreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rekestreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rekestreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rekestrerend
Past participle - Verleden deelwoord: gerekestreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrekestreer
jijrekestreert
hijrekestreert
wijrekestreren
jullierekestreren
zijrekestreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerekestreerd
jijhebt gerekestreerd
hijheeft gerekestreerd
wijhebben gerekestreerd
julliehebben gerekestreerd
zijhebben gerekestreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrekestreerde
jijrekestreerde
hijrekestreerde
wijrekestreerden
jullierekestreerden
zijrekestreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerekestreerd
jijhad gerekestreerd
hijhad gerekestreerd
wijhadden gerekestreerd
julliehadden gerekestreerd
zijhadden gerekestreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rekestreren
jijzult rekestreren
hijzal rekestreren
wijzullen rekestreren
julliezullen rekestreren
zijzullen rekestreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerekestreerd hebben
jijzult gerekestreerd hebben
hijzal gerekestreerd hebben
wijzullen gerekestreerd hebben
julliezullen gerekestreerd hebben
zijzullen gerekestreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rekestreren
jijzou rekestreren
hijzou rekestreren
wijzouden rekestreren
julliezouden rekestreren
zijzouden rekestreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerekestreerd hebben
jijzou gerekestreerd hebben
hijzou gerekestreerd hebben
wijzouden gerekestreerd hebben
julliezouden gerekestreerd hebben
zijzouden gerekestreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrekestreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information