refereren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of refereren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: refereren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: refererend
Past participle - Verleden deelwoord: gerefereerd

Cognates

See the 2 cognates of refereren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrefereer
jijrefereert
hijrefereert
wijrefereren
jullierefereren
zijrefereren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerefereerd
jijhebt gerefereerd
hijheeft gerefereerd
wijhebben gerefereerd
julliehebben gerefereerd
zijhebben gerefereerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrefereerde
jijrefereerde
hijrefereerde
wijrefereerden
jullierefereerden
zijrefereerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerefereerd
jijhad gerefereerd
hijhad gerefereerd
wijhadden gerefereerd
julliehadden gerefereerd
zijhadden gerefereerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal refereren
jijzult refereren
hijzal refereren
wijzullen refereren
julliezullen refereren
zijzullen refereren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerefereerd hebben
jijzult gerefereerd hebben
hijzal gerefereerd hebben
wijzullen gerefereerd hebben
julliezullen gerefereerd hebben
zijzullen gerefereerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou refereren
jijzou refereren
hijzou refereren
wijzouden refereren
julliezouden refereren
zijzouden refereren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerefereerd hebben
jijzou gerefereerd hebben
hijzou gerefereerd hebben
wijzouden gerefereerd hebben
julliezouden gerefereerd hebben
zijzouden gerefereerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrefereer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Cognate to English to refer. See: English 'refer'.

Additional Information