redigeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of redigeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: redigeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: redigerend
Past participle - Verleden deelwoord: geredigeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikredigeer
jijredigeert
hijredigeert
wijredigeren
jullieredigeren
zijredigeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geredigeerd
jijhebt geredigeerd
hijheeft geredigeerd
wijhebben geredigeerd
julliehebben geredigeerd
zijhebben geredigeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikredigeerde
jijredigeerde
hijredigeerde
wijredigeerden
jullieredigeerden
zijredigeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geredigeerd
jijhad geredigeerd
hijhad geredigeerd
wijhadden geredigeerd
julliehadden geredigeerd
zijhadden geredigeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal redigeren
jijzult redigeren
hijzal redigeren
wijzullen redigeren
julliezullen redigeren
zijzullen redigeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geredigeerd hebben
jijzult geredigeerd hebben
hijzal geredigeerd hebben
wijzullen geredigeerd hebben
julliezullen geredigeerd hebben
zijzullen geredigeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou redigeren
jijzou redigeren
hijzou redigeren
wijzouden redigeren
julliezouden redigeren
zijzouden redigeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geredigeerd hebben
jijzou geredigeerd hebben
hijzou geredigeerd hebben
wijzouden geredigeerd hebben
julliezouden geredigeerd hebben
zijzouden geredigeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijredigeer

Translations

  • compose, to construct by mental labor; to think up
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    opstellen
    schrijven
    uitgeven
    bewerken

    Antonyms

    uitgeven
    sparen, bewaren, opsparen

    Sample Sentences

    • De redactie is vergeten deze tekst te redigeren. (The editorial staff forgot to edit this text.)

    Etymology

    First attested in 1520; borrowed from Middle French rédiger, from Latin redigō, whence ultimately also redactie and redacteur. See: Middle French 'rédiger', Latin 'redigō'.

    Additional Information