recycleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of recycleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: recycleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: recyclerend
Past participle - Verleden deelwoord: gerecycleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrecycleer
jijrecycleert
hijrecycleert
wijrecycleren
jullierecycleren
zijrecycleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerecycleerd
jijhebt gerecycleerd
hijheeft gerecycleerd
wijhebben gerecycleerd
julliehebben gerecycleerd
zijhebben gerecycleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrecycleerde
jijrecycleerde
hijrecycleerde
wijrecycleerden
jullierecycleerden
zijrecycleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerecycleerd
jijhad gerecycleerd
hijhad gerecycleerd
wijhadden gerecycleerd
julliehadden gerecycleerd
zijhadden gerecycleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal recycleren
jijzult recycleren
hijzal recycleren
wijzullen recycleren
julliezullen recycleren
zijzullen recycleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerecycleerd hebben
jijzult gerecycleerd hebben
hijzal gerecycleerd hebben
wijzullen gerecycleerd hebben
julliezullen gerecycleerd hebben
zijzullen gerecycleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou recycleren
jijzou recycleren
hijzou recycleren
wijzouden recycleren
julliezouden recycleren
zijzouden recycleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerecycleerd hebben
jijzou gerecycleerd hebben
hijzou gerecycleerd hebben
wijzouden gerecycleerd hebben
julliezouden gerecycleerd hebben
zijzouden gerecycleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrecycleer

Translations

  • recycle, to break down and reuse component materials
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    By surface analysis, French recycler + -eren.

    Additional Information