recommanderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of recommanderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: recommanderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: recommanderend
Past participle - Verleden deelwoord: gerecommandeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrecommandeer
jijrecommandeert
hijrecommandeert
wijrecommanderen
jullierecommanderen
zijrecommanderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerecommandeerd
jijhebt gerecommandeerd
hijheeft gerecommandeerd
wijhebben gerecommandeerd
julliehebben gerecommandeerd
zijhebben gerecommandeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrecommandeerde
jijrecommandeerde
hijrecommandeerde
wijrecommandeerden
jullierecommandeerden
zijrecommandeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerecommandeerd
jijhad gerecommandeerd
hijhad gerecommandeerd
wijhadden gerecommandeerd
julliehadden gerecommandeerd
zijhadden gerecommandeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal recommanderen
jijzult recommanderen
hijzal recommanderen
wijzullen recommanderen
julliezullen recommanderen
zijzullen recommanderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerecommandeerd hebben
jijzult gerecommandeerd hebben
hijzal gerecommandeerd hebben
wijzullen gerecommandeerd hebben
julliezullen gerecommandeerd hebben
zijzullen gerecommandeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou recommanderen
jijzou recommanderen
hijzou recommanderen
wijzouden recommanderen
julliezouden recommanderen
zijzouden recommanderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerecommandeerd hebben
jijzou gerecommandeerd hebben
hijzou gerecommandeerd hebben
wijzouden gerecommandeerd hebben
julliezouden gerecommandeerd hebben
zijzouden gerecommandeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrecommandeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information