raseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of raseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: raseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: raserend
Past participle - Verleden deelwoord: geraseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikraseer
jijraseert
hijraseert
wijraseren
jullieraseren
zijraseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geraseerd
jijhebt geraseerd
hijheeft geraseerd
wijhebben geraseerd
julliehebben geraseerd
zijhebben geraseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikraseerde
jijraseerde
hijraseerde
wijraseerden
jullieraseerden
zijraseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geraseerd
jijhad geraseerd
hijhad geraseerd
wijhadden geraseerd
julliehadden geraseerd
zijhadden geraseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal raseren
jijzult raseren
hijzal raseren
wijzullen raseren
julliezullen raseren
zijzullen raseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geraseerd hebben
jijzult geraseerd hebben
hijzal geraseerd hebben
wijzullen geraseerd hebben
julliezullen geraseerd hebben
zijzullen geraseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou raseren
jijzou raseren
hijzou raseren
wijzouden raseren
julliezouden raseren
zijzouden raseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geraseerd hebben
jijzou geraseerd hebben
hijzou geraseerd hebben
wijzouden geraseerd hebben
julliezouden geraseerd hebben
zijzouden geraseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijraseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information