radiograferen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of radiograferen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: radiograferen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: radiograferend
Past participle - Verleden deelwoord: geradiografeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikradiografeer
jijradiografeert
hijradiografeert
wijradiograferen
jullieradiograferen
zijradiograferen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geradiografeerd
jijhebt geradiografeerd
hijheeft geradiografeerd
wijhebben geradiografeerd
julliehebben geradiografeerd
zijhebben geradiografeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikradiografeerde
jijradiografeerde
hijradiografeerde
wijradiografeerden
jullieradiografeerden
zijradiografeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geradiografeerd
jijhad geradiografeerd
hijhad geradiografeerd
wijhadden geradiografeerd
julliehadden geradiografeerd
zijhadden geradiografeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal radiograferen
jijzult radiograferen
hijzal radiograferen
wijzullen radiograferen
julliezullen radiograferen
zijzullen radiograferen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geradiografeerd hebben
jijzult geradiografeerd hebben
hijzal geradiografeerd hebben
wijzullen geradiografeerd hebben
julliezullen geradiografeerd hebben
zijzullen geradiografeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou radiograferen
jijzou radiograferen
hijzou radiograferen
wijzouden radiograferen
julliezouden radiograferen
zijzouden radiograferen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geradiografeerd hebben
jijzou geradiografeerd hebben
hijzou geradiografeerd hebben
wijzouden geradiografeerd hebben
julliezouden geradiografeerd hebben
zijzouden geradiografeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijradiografeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information