profiteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of profiteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: profiteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: profiterend
Past participle - Verleden deelwoord: geprofiteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikprofiteer
jijprofiteert
hijprofiteert
wijprofiteren
jullieprofiteren
zijprofiteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geprofiteerd
jijhebt geprofiteerd
hijheeft geprofiteerd
wijhebben geprofiteerd
julliehebben geprofiteerd
zijhebben geprofiteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikprofiteerde
jijprofiteerde
hijprofiteerde
wijprofiteerden
jullieprofiteerden
zijprofiteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geprofiteerd
jijhad geprofiteerd
hijhad geprofiteerd
wijhadden geprofiteerd
julliehadden geprofiteerd
zijhadden geprofiteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal profiteren
jijzult profiteren
hijzal profiteren
wijzullen profiteren
julliezullen profiteren
zijzullen profiteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geprofiteerd hebben
jijzult geprofiteerd hebben
hijzal geprofiteerd hebben
wijzullen geprofiteerd hebben
julliezullen geprofiteerd hebben
zijzullen geprofiteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou profiteren
jijzou profiteren
hijzou profiteren
wijzouden profiteren
julliezouden profiteren
zijzouden profiteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geprofiteerd hebben
jijzou geprofiteerd hebben
hijzou geprofiteerd hebben
wijzouden geprofiteerd hebben
julliezouden geprofiteerd hebben
zijzouden geprofiteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijprofiteer

Translations

  • avail, to turn to the advantage of
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    gebruikmaken
    misbruiken, uitbuiten

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information