profeteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of profeteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: profeteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: profeterend
Past participle - Verleden deelwoord: geprofeteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikprofeteer
jijprofeteert
hijprofeteert
wijprofeteren
jullieprofeteren
zijprofeteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geprofeteerd
jijhebt geprofeteerd
hijheeft geprofeteerd
wijhebben geprofeteerd
julliehebben geprofeteerd
zijhebben geprofeteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikprofeteerde
jijprofeteerde
hijprofeteerde
wijprofeteerden
jullieprofeteerden
zijprofeteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geprofeteerd
jijhad geprofeteerd
hijhad geprofeteerd
wijhadden geprofeteerd
julliehadden geprofeteerd
zijhadden geprofeteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal profeteren
jijzult profeteren
hijzal profeteren
wijzullen profeteren
julliezullen profeteren
zijzullen profeteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geprofeteerd hebben
jijzult geprofeteerd hebben
hijzal geprofeteerd hebben
wijzullen geprofeteerd hebben
julliezullen geprofeteerd hebben
zijzullen geprofeteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou profeteren
jijzou profeteren
hijzou profeteren
wijzouden profeteren
julliezouden profeteren
zijzouden profeteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geprofeteerd hebben
jijzou geprofeteerd hebben
hijzou geprofeteerd hebben
wijzouden geprofeteerd hebben
julliezouden geprofeteerd hebben
zijzouden geprofeteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijprofeteer

Translations

  • prophesy, to speak as a prophet
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch propheteren. By surface analysis, profeet + -eren.

    Additional Information