primeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of primeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: primeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: primerend
Past participle - Verleden deelwoord: geprimeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikprimeer
jijprimeert
hijprimeert
wijprimeren
jullieprimeren
zijprimeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geprimeerd
jijhebt geprimeerd
hijheeft geprimeerd
wijhebben geprimeerd
julliehebben geprimeerd
zijhebben geprimeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikprimeerde
jijprimeerde
hijprimeerde
wijprimeerden
jullieprimeerden
zijprimeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geprimeerd
jijhad geprimeerd
hijhad geprimeerd
wijhadden geprimeerd
julliehadden geprimeerd
zijhadden geprimeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal primeren
jijzult primeren
hijzal primeren
wijzullen primeren
julliezullen primeren
zijzullen primeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geprimeerd hebben
jijzult geprimeerd hebben
hijzal geprimeerd hebben
wijzullen geprimeerd hebben
julliezullen geprimeerd hebben
zijzullen geprimeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou primeren
jijzou primeren
hijzou primeren
wijzouden primeren
julliezouden primeren
zijzouden primeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geprimeerd hebben
jijzou geprimeerd hebben
hijzou geprimeerd hebben
wijzouden geprimeerd hebben
julliezouden geprimeerd hebben
zijzouden geprimeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijprimeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French primer. See: French 'primer'.

Additional Information