predomineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of predomineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: predomineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: predominerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepredomineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpredomineer
jijpredomineert
hijpredomineert
wijpredomineren
julliepredomineren
zijpredomineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepredomineerd
jijhebt gepredomineerd
hijheeft gepredomineerd
wijhebben gepredomineerd
julliehebben gepredomineerd
zijhebben gepredomineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpredomineerde
jijpredomineerde
hijpredomineerde
wijpredomineerden
julliepredomineerden
zijpredomineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepredomineerd
jijhad gepredomineerd
hijhad gepredomineerd
wijhadden gepredomineerd
julliehadden gepredomineerd
zijhadden gepredomineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal predomineren
jijzult predomineren
hijzal predomineren
wijzullen predomineren
julliezullen predomineren
zijzullen predomineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepredomineerd hebben
jijzult gepredomineerd hebben
hijzal gepredomineerd hebben
wijzullen gepredomineerd hebben
julliezullen gepredomineerd hebben
zijzullen gepredomineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou predomineren
jijzou predomineren
hijzou predomineren
wijzouden predomineren
julliezouden predomineren
zijzouden predomineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepredomineerd hebben
jijzou gepredomineerd hebben
hijzou gepredomineerd hebben
wijzouden gepredomineerd hebben
julliezouden gepredomineerd hebben
zijzouden gepredomineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpredomineer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information