poneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of poneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: poneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ponerend
Past participle - Verleden deelwoord: geponeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikponeer
jijponeert
hijponeert
wijponeren
jullieponeren
zijponeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geponeerd
jijhebt geponeerd
hijheeft geponeerd
wijhebben geponeerd
julliehebben geponeerd
zijhebben geponeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikponeerde
jijponeerde
hijponeerde
wijponeerden
jullieponeerden
zijponeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geponeerd
jijhad geponeerd
hijhad geponeerd
wijhadden geponeerd
julliehadden geponeerd
zijhadden geponeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal poneren
jijzult poneren
hijzal poneren
wijzullen poneren
julliezullen poneren
zijzullen poneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geponeerd hebben
jijzult geponeerd hebben
hijzal geponeerd hebben
wijzullen geponeerd hebben
julliezullen geponeerd hebben
zijzullen geponeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou poneren
jijzou poneren
hijzou poneren
wijzouden poneren
julliezouden poneren
zijzouden poneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geponeerd hebben
jijzou geponeerd hebben
hijzou geponeerd hebben
wijzouden geponeerd hebben
julliezouden geponeerd hebben
zijzouden geponeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijponeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Latin pōnō with the suffix -eren. See: Latin 'pōnō'.

Additional Information