plukken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of plukken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: plukken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: plukkend
Past participle - Verleden deelwoord: geplukt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpluk
jijplukt
hijplukt
wijplukken
jullieplukken
zijplukken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geplukt
jijhebt geplukt
hijheeft geplukt
wijhebben geplukt
julliehebben geplukt
zijhebben geplukt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikplukte
jijplukte
hijplukte
wijplukten
jullieplukten
zijplukten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geplukt
jijhad geplukt
hijhad geplukt
wijhadden geplukt
julliehadden geplukt
zijhadden geplukt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal plukken
jijzult plukken
hijzal plukken
wijzullen plukken
julliezullen plukken
zijzullen plukken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geplukt hebben
jijzult geplukt hebben
hijzal geplukt hebben
wijzullen geplukt hebben
julliezullen geplukt hebben
zijzullen geplukt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou plukken
jijzou plukken
hijzou plukken
wijzouden plukken
julliezouden plukken
zijzouden plukken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geplukt hebben
jijzou geplukt hebben
hijzou geplukt hebben
wijzouden geplukt hebben
julliezouden geplukt hebben
zijzouden geplukt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpluk

Translations

  • pick, to remove a fruit or plant for consumption
  • pluck, to pull something sharply; to pull something out
  • pluck, music: to gently play a single string
  • pluck, to remove feathers from a bird
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afplukken
    oogsten
    afzetten
    beroven, bestelen
    grijpen
    tillen
    friemelen
    peuteren

    Antonyms

    afzetten
    aanzetten, aandoen, aandraaien, inschakelen, starten

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch plucken, from Old Dutch *plukkon, from Proto-West Germanic *plukkōn, ultimately from Proto-Germanic *plukkōną, *plukkijaną; see there for more. See: Old Dutch '*plukkon', Proto-Germanic '*plukkōną'.

    Verbs referencing "plukken"

    English pluck, German, old spelling pflücken, Luxembourgish plécken, Dutch pulken.

    Additional Information