planeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of planeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: planeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: planerend
Past participle - Verleden deelwoord: geplaneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikplaneer
jijplaneert
hijplaneert
wijplaneren
jullieplaneren
zijplaneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geplaneerd
jijhebt geplaneerd
hijheeft geplaneerd
wijhebben geplaneerd
julliehebben geplaneerd
zijhebben geplaneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikplaneerde
jijplaneerde
hijplaneerde
wijplaneerden
jullieplaneerden
zijplaneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geplaneerd
jijhad geplaneerd
hijhad geplaneerd
wijhadden geplaneerd
julliehadden geplaneerd
zijhadden geplaneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal planeren
jijzult planeren
hijzal planeren
wijzullen planeren
julliezullen planeren
zijzullen planeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geplaneerd hebben
jijzult geplaneerd hebben
hijzal geplaneerd hebben
wijzullen geplaneerd hebben
julliezullen geplaneerd hebben
zijzullen geplaneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou planeren
jijzou planeren
hijzou planeren
wijzouden planeren
julliezouden planeren
zijzouden planeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geplaneerd hebben
jijzou geplaneerd hebben
hijzou geplaneerd hebben
wijzouden geplaneerd hebben
julliezouden geplaneerd hebben
zijzouden geplaneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijplaneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information