panikeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of panikeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: panikeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: panikerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepanikeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpanikeer
jijpanikeert
hijpanikeert
wijpanikeren
julliepanikeren
zijpanikeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepanikeerd
jijhebt gepanikeerd
hijheeft gepanikeerd
wijhebben gepanikeerd
julliehebben gepanikeerd
zijhebben gepanikeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpanikeerde
jijpanikeerde
hijpanikeerde
wijpanikeerden
julliepanikeerden
zijpanikeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepanikeerd
jijhad gepanikeerd
hijhad gepanikeerd
wijhadden gepanikeerd
julliehadden gepanikeerd
zijhadden gepanikeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal panikeren
jijzult panikeren
hijzal panikeren
wijzullen panikeren
julliezullen panikeren
zijzullen panikeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepanikeerd hebben
jijzult gepanikeerd hebben
hijzal gepanikeerd hebben
wijzullen gepanikeerd hebben
julliezullen gepanikeerd hebben
zijzullen gepanikeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou panikeren
jijzou panikeren
hijzou panikeren
wijzouden panikeren
julliezouden panikeren
zijzouden panikeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepanikeerd hebben
jijzou gepanikeerd hebben
hijzou gepanikeerd hebben
wijzouden gepanikeerd hebben
julliezouden gepanikeerd hebben
zijzouden gepanikeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpanikeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Probably borrowed from French paniquer. Equivalent to paniek + -eren. See: French 'paniquer'.

Additional Information