pagineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pagineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pagineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: paginerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepagineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpagineer
jijpagineert
hijpagineert
wijpagineren
julliepagineren
zijpagineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepagineerd
jijhebt gepagineerd
hijheeft gepagineerd
wijhebben gepagineerd
julliehebben gepagineerd
zijhebben gepagineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpagineerde
jijpagineerde
hijpagineerde
wijpagineerden
julliepagineerden
zijpagineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepagineerd
jijhad gepagineerd
hijhad gepagineerd
wijhadden gepagineerd
julliehadden gepagineerd
zijhadden gepagineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pagineren
jijzult pagineren
hijzal pagineren
wijzullen pagineren
julliezullen pagineren
zijzullen pagineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepagineerd hebben
jijzult gepagineerd hebben
hijzal gepagineerd hebben
wijzullen gepagineerd hebben
julliezullen gepagineerd hebben
zijzullen gepagineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pagineren
jijzou pagineren
hijzou pagineren
wijzouden pagineren
julliezouden pagineren
zijzouden pagineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepagineerd hebben
jijzou gepagineerd hebben
hijzou gepagineerd hebben
wijzouden gepagineerd hebben
julliezouden gepagineerd hebben
zijzouden gepagineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpagineer

Translations

  • page, mark the pages of
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information