margineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of margineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: margineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: marginerend
Past participle - Verleden deelwoord: gemargineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmargineer
jijmargineert
hijmargineert
wijmargineren
julliemargineren
zijmargineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemargineerd
jijhebt gemargineerd
hijheeft gemargineerd
wijhebben gemargineerd
julliehebben gemargineerd
zijhebben gemargineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmargineerde
jijmargineerde
hijmargineerde
wijmargineerden
julliemargineerden
zijmargineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemargineerd
jijhad gemargineerd
hijhad gemargineerd
wijhadden gemargineerd
julliehadden gemargineerd
zijhadden gemargineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal margineren
jijzult margineren
hijzal margineren
wijzullen margineren
julliezullen margineren
zijzullen margineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemargineerd hebben
jijzult gemargineerd hebben
hijzal gemargineerd hebben
wijzullen gemargineerd hebben
julliezullen gemargineerd hebben
zijzullen gemargineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou margineren
jijzou margineren
hijzou margineren
wijzouden margineren
julliezouden margineren
zijzouden margineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemargineerd hebben
jijzou gemargineerd hebben
hijzou gemargineerd hebben
wijzouden gemargineerd hebben
julliezouden gemargineerd hebben
zijzouden gemargineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmargineer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information