pachten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pachten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pachten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pachtend
Past participle - Verleden deelwoord: gepacht

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpacht
jijpacht
hijpacht
wijpachten
julliepachten
zijpachten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepacht
jijhebt gepacht
hijheeft gepacht
wijhebben gepacht
julliehebben gepacht
zijhebben gepacht

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpachtte
jijpachtte
hijpachtte
wijpachtten
julliepachtten
zijpachtten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepacht
jijhad gepacht
hijhad gepacht
wijhadden gepacht
julliehadden gepacht
zijhadden gepacht

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pachten
jijzult pachten
hijzal pachten
wijzullen pachten
julliezullen pachten
zijzullen pachten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepacht hebben
jijzult gepacht hebben
hijzal gepacht hebben
wijzullen gepacht hebben
julliezullen gepacht hebben
zijzullen gepacht hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pachten
jijzou pachten
hijzou pachten
wijzouden pachten
julliezouden pachten
zijzouden pachten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepacht hebben
jijzou gepacht hebben
hijzou gepacht hebben
wijzouden gepacht hebben
julliezouden gepacht hebben
zijzouden gepacht hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpacht

Translations

  • lease, to operate or live in some property or land through purchasing a long-term contract
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    huren
    leasen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Medieval Latin pactō, from Latin pāciscor (“to bargain”). See: Latin 'pāciscor'.

    Additional Information