leasen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of leasen

The word "leasen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: leasen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: leasend
Past participle - Verleden deelwoord: geleast

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikleas
jijleast
hijleast
wijleasen
jullieleasen
zijleasen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geleast
jijhebt geleast
hijheeft geleast
wijhebben geleast
julliehebben geleast
zijhebben geleast

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikleaste
jijleaste
hijleaste
wijleasten
jullieleasten
zijleasten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geleast
jijhad geleast
hijhad geleast
wijhadden geleast
julliehadden geleast
zijhadden geleast

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal leasen
jijzult leasen
hijzal leasen
wijzullen leasen
julliezullen leasen
zijzullen leasen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geleast hebben
jijzult geleast hebben
hijzal geleast hebben
wijzullen geleast hebben
julliezullen geleast hebben
zijzullen geleast hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou leasen
jijzou leasen
hijzou leasen
wijzouden leasen
julliezouden leasen
zijzouden leasen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geleast hebben
jijzou geleast hebben
hijzou geleast hebben
wijzouden geleast hebben
julliezouden geleast hebben
zijzouden geleast hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijleas

Verbs similar to 'leasen'

Translations

  • lease, to operate or live in some property or land through purchasing a long-term contract
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from English lease. See: English 'lease'.

    Additional Information