orkestreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of orkestreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: orkestreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: orkestrerend
Past participle - Verleden deelwoord: georkestreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikorkestreer
jijorkestreert
hijorkestreert
wijorkestreren
jullieorkestreren
zijorkestreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb georkestreerd
jijhebt georkestreerd
hijheeft georkestreerd
wijhebben georkestreerd
julliehebben georkestreerd
zijhebben georkestreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikorkestreerde
jijorkestreerde
hijorkestreerde
wijorkestreerden
jullieorkestreerden
zijorkestreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad georkestreerd
jijhad georkestreerd
hijhad georkestreerd
wijhadden georkestreerd
julliehadden georkestreerd
zijhadden georkestreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal orkestreren
jijzult orkestreren
hijzal orkestreren
wijzullen orkestreren
julliezullen orkestreren
zijzullen orkestreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal georkestreerd hebben
jijzult georkestreerd hebben
hijzal georkestreerd hebben
wijzullen georkestreerd hebben
julliezullen georkestreerd hebben
zijzullen georkestreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou orkestreren
jijzou orkestreren
hijzou orkestreren
wijzouden orkestreren
julliezouden orkestreren
zijzouden orkestreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou georkestreerd hebben
jijzou georkestreerd hebben
hijzou georkestreerd hebben
wijzouden georkestreerd hebben
julliezouden georkestreerd hebben
zijzouden georkestreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijorkestreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

arrangeren
bewerken, instrumenteren

Sample Sentences

Etymology

Additional Information