opsmeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opsmeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opsmeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opsmerend
Past participle - Verleden deelwoord: opgesmeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksmeer op
jijsmeert op
hijsmeert op
wijsmeren op
julliesmeren op
zijsmeren op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgesmeerd
jijhebt opgesmeerd
hijheeft opgesmeerd
wijhebben opgesmeerd
julliehebben opgesmeerd
zijhebben opgesmeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksmeerde op
jijsmeerde op
hijsmeerde op
wijsmeerden op
julliesmeerden op
zijsmeerden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgesmeerd
jijhad opgesmeerd
hijhad opgesmeerd
wijhadden opgesmeerd
julliehadden opgesmeerd
zijhadden opgesmeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opsmeren
jijzult opsmeren
hijzal opsmeren
wijzullen opsmeren
julliezullen opsmeren
zijzullen opsmeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgesmeerd hebben
jijzult opgesmeerd hebben
hijzal opgesmeerd hebben
wijzullen opgesmeerd hebben
julliezullen opgesmeerd hebben
zijzullen opgesmeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opsmeren
jijzou opsmeren
hijzou opsmeren
wijzouden opsmeren
julliezouden opsmeren
zijzouden opsmeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgesmeerd hebben
jijzou opgesmeerd hebben
hijzou opgesmeerd hebben
wijzouden opgesmeerd hebben
julliezouden opgesmeerd hebben
zijzouden opgesmeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsmeer op

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information