opveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opverend
Past participle - Verleden deelwoord: opveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikveer op
jijveert op
hijveert op
wijveren op
jullieveren op
zijveren op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opveerd
jijhebt opveerd
hijheeft opveerd
wijhebben opveerd
julliehebben opveerd
zijhebben opveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikveerde op
jijveerde op
hijveerde op
wijveerden op
jullieveerden op
zijveerden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opveerd
jijhad opveerd
hijhad opveerd
wijhadden opveerd
julliehadden opveerd
zijhadden opveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opveren
jijzult opveren
hijzal opveren
wijzullen opveren
julliezullen opveren
zijzullen opveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opveerd hebben
jijzult opveerd hebben
hijzal opveerd hebben
wijzullen opveerd hebben
julliezullen opveerd hebben
zijzullen opveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opveren
jijzou opveren
hijzou opveren
wijzouden opveren
julliezouden opveren
zijzouden opveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opveerd hebben
jijzou opveerd hebben
hijzou opveerd hebben
wijzouden opveerd hebben
julliezouden opveerd hebben
zijzouden opveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijveer op

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information