oorzaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of oorzaken

The word "oorzaken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: oorzaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: oorzakend
Past participle - Verleden deelwoord: geoorzaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikoorzaak
jijoorzaakt
hijoorzaakt
wijoorzaken
jullieoorzaken
zijoorzaken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geoorzaakt
jijhebt geoorzaakt
hijheeft geoorzaakt
wijhebben geoorzaakt
julliehebben geoorzaakt
zijhebben geoorzaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikoorzaakte
jijoorzaakte
hijoorzaakte
wijoorzaakten
jullieoorzaakten
zijoorzaakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geoorzaakt
jijhad geoorzaakt
hijhad geoorzaakt
wijhadden geoorzaakt
julliehadden geoorzaakt
zijhadden geoorzaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal oorzaken
jijzult oorzaken
hijzal oorzaken
wijzullen oorzaken
julliezullen oorzaken
zijzullen oorzaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geoorzaakt hebben
jijzult geoorzaakt hebben
hijzal geoorzaakt hebben
wijzullen geoorzaakt hebben
julliezullen geoorzaakt hebben
zijzullen geoorzaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou oorzaken
jijzou oorzaken
hijzou oorzaken
wijzouden oorzaken
julliezouden oorzaken
zijzouden oorzaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geoorzaakt hebben
jijzou geoorzaakt hebben
hijzou geoorzaakt hebben
wijzouden geoorzaakt hebben
julliezouden geoorzaakt hebben
zijzouden geoorzaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijoorzaak

Verbs similar to 'oorzaken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "oorzaken"

Swedish orsaka.

Additional Information