ogen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ogen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ogen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ogend
Past participle - Verleden deelwoord: geoogd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikoog
jijoogt
hijoogt
wijogen
jullieogen
zijogen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geoogd
jijhebt geoogd
hijheeft geoogd
wijhebben geoogd
julliehebben geoogd
zijhebben geoogd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikoogde
jijoogde
hijoogde
wijoogden
jullieoogden
zijoogden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geoogd
jijhad geoogd
hijhad geoogd
wijhadden geoogd
julliehadden geoogd
zijhadden geoogd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ogen
jijzult ogen
hijzal ogen
wijzullen ogen
julliezullen ogen
zijzullen ogen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geoogd hebben
jijzult geoogd hebben
hijzal geoogd hebben
wijzullen geoogd hebben
julliezullen geoogd hebben
zijzullen geoogd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ogen
jijzou ogen
hijzou ogen
wijzouden ogen
julliezouden ogen
zijzouden ogen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geoogd hebben
jijzou geoogd hebben
hijzou geoogd hebben
wijzouden geoogd hebben
julliezouden geoogd hebben
zijzouden geoogd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijoog

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

beogen
streven
staan
uitkomen

Sample Sentences

  • Deze rok oogt zeer fraai. (This skirt looks very nice.)

Etymology

From Middle Dutch and Old Dutch ôgen, from Proto-West Germanic *augijan. Equivalent to oog + -en.

Additional Information