musiceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of musiceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: musiceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: musicerend
Past participle - Verleden deelwoord: gemusiceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmusiceer
jijmusiceert
hijmusiceert
wijmusiceren
julliemusiceren
zijmusiceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemusiceerd
jijhebt gemusiceerd
hijheeft gemusiceerd
wijhebben gemusiceerd
julliehebben gemusiceerd
zijhebben gemusiceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmusiceerde
jijmusiceerde
hijmusiceerde
wijmusiceerden
julliemusiceerden
zijmusiceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemusiceerd
jijhad gemusiceerd
hijhad gemusiceerd
wijhadden gemusiceerd
julliehadden gemusiceerd
zijhadden gemusiceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal musiceren
jijzult musiceren
hijzal musiceren
wijzullen musiceren
julliezullen musiceren
zijzullen musiceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemusiceerd hebben
jijzult gemusiceerd hebben
hijzal gemusiceerd hebben
wijzullen gemusiceerd hebben
julliezullen gemusiceerd hebben
zijzullen gemusiceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou musiceren
jijzou musiceren
hijzou musiceren
wijzouden musiceren
julliezouden musiceren
zijzouden musiceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemusiceerd hebben
jijzou gemusiceerd hebben
hijzou gemusiceerd hebben
wijzouden gemusiceerd hebben
julliezouden gemusiceerd hebben
zijzouden gemusiceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmusiceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From muziek + -eren. Compare German musizieren. See: German, old spelling 'musizieren'.

Additional Information