Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: mikken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: mikkend
Past participle - Verleden deelwoord: gemikt
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | mik |
| jij | mikt |
| hij | mikt |
| wij | mikken |
| jullie | mikken |
| zij | mikken |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gemikt |
| jij | hebt gemikt |
| hij | heeft gemikt |
| wij | hebben gemikt |
| jullie | hebben gemikt |
| zij | hebben gemikt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | mikte |
| jij | mikte |
| hij | mikte |
| wij | mikten |
| jullie | mikten |
| zij | mikten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gemikt |
| jij | had gemikt |
| hij | had gemikt |
| wij | hadden gemikt |
| jullie | hadden gemikt |
| zij | hadden gemikt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal mikken |
| jij | zult mikken |
| hij | zal mikken |
| wij | zullen mikken |
| jullie | zullen mikken |
| zij | zullen mikken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gemikt hebben |
| jij | zult gemikt hebben |
| hij | zal gemikt hebben |
| wij | zullen gemikt hebben |
| jullie | zullen gemikt hebben |
| zij | zullen gemikt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou mikken |
| jij | zou mikken |
| hij | zou mikken |
| wij | zouden mikken |
| jullie | zouden mikken |
| zij | zouden mikken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gemikt hebben |
| jij | zou gemikt hebben |
| hij | zou gemikt hebben |
| wij | zouden gemikt hebben |
| jullie | zouden gemikt hebben |
| zij | zouden gemikt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'mikken'
aanbaffen,
aanbikken,
aanblikken,
aandikken,
aandrukken,
aaneenplakken,
aaneenstrikken,
aanfokken,
aankwakken,
aanlokken,
aanpakken,
aanpassen,
aanpikken,
aanplakken,
aanploffen,
aanprikken,
aanschaffen,
aansloffen,
aanstikken,
aanstoffen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'mikken'
hikken,
kikken,
likken,
mokken,
tikken,
afmikken,
bakken,
bukken,
dekken,
dokken,
Translations
Sample Sentences
-
[...] ik hem, dat hij stil zou zijn, en nam mijn grootste geweer, en laadde het met twee kogels en eene goede lading kruid; even zoo het tweede, en op het derde geweer deed ik vijf kleinere kogels. Ik mikte zoo goed ik kon met het eerste, om hem in den kop te treffen; maar daar hij op zijn buik lag, met zijne voorpooten voor zijn muil, trof ik een van deze op de hoogte van de knie. Brullende sprong hij [...]
(Robinson Crusoe)
-
Vrijdag had veel beter gemikt dan ik, aan den kant waar bij heenschoot had hij twee man gedood en drie gekwetst, en ik had aan mijne zijde een gedood en twee gekwetst. De wilden geraakten in vreesselijke opschudding, gelijk men [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] borstwering, als waren zij zeker van hunnen buit. Het schijnt, dat zij vooral woedend werden door onze paarden achter ons te zien. Ik gelastte, dat men om den anderen man weder zou vuren, en ieder mikte zoo goed, dat bij de eerste losbranding verscheidene wolven sneuvelden, maar wij moesten aanhoudend doorvuren, want de achtersten dreven de voorsten aanhoudend als ware duivels vooruit.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch micken, from Old Dutch *mikken, from Proto-Germanic *mikjaną.
Additional Information