mekkeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of mekkeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: mekkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: mekkerend
Past participle - Verleden deelwoord: gemekkerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmekker
jijmekkert
hijmekkert
wijmekkeren
julliemekkeren
zijmekkeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemekkerd
jijhebt gemekkerd
hijheeft gemekkerd
wijhebben gemekkerd
julliehebben gemekkerd
zijhebben gemekkerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmekkerde
jijmekkerde
hijmekkerde
wijmekkerden
julliemekkerden
zijmekkerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemekkerd
jijhad gemekkerd
hijhad gemekkerd
wijhadden gemekkerd
julliehadden gemekkerd
zijhadden gemekkerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal mekkeren
jijzult mekkeren
hijzal mekkeren
wijzullen mekkeren
julliezullen mekkeren
zijzullen mekkeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemekkerd hebben
jijzult gemekkerd hebben
hijzal gemekkerd hebben
wijzullen gemekkerd hebben
julliezullen gemekkerd hebben
zijzullen gemekkerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou mekkeren
jijzou mekkeren
hijzou mekkeren
wijzouden mekkeren
julliezouden mekkeren
zijzouden mekkeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemekkerd hebben
jijzou gemekkerd hebben
hijzou gemekkerd hebben
wijzouden gemekkerd hebben
julliezouden gemekkerd hebben
zijzouden gemekkerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmekker

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

urmen
klagen, mieren, zaniken, zemelen, zeuren
zaniken
dreinen, drenzen, emmeren, jengelen, meieren, teuten, zemelen, zeuren

Sample Sentences

Etymology

From mekken + -eren. Onomatopoeic.

Additional Information