jengelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of jengelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: jengelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: jengelend
Past participle - Verleden deelwoord: gejengeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjengel
jijjengelt
hijjengelt
wijjengelen
julliejengelen
zijjengelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gejengeld
jijhebt gejengeld
hijheeft gejengeld
wijhebben gejengeld
julliehebben gejengeld
zijhebben gejengeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjengelde
jijjengelde
hijjengelde
wijjengelden
julliejengelden
zijjengelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gejengeld
jijhad gejengeld
hijhad gejengeld
wijhadden gejengeld
julliehadden gejengeld
zijhadden gejengeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal jengelen
jijzult jengelen
hijzal jengelen
wijzullen jengelen
julliezullen jengelen
zijzullen jengelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gejengeld hebben
jijzult gejengeld hebben
hijzal gejengeld hebben
wijzullen gejengeld hebben
julliezullen gejengeld hebben
zijzullen gejengeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou jengelen
jijzou jengelen
hijzou jengelen
wijzouden jengelen
julliezouden jengelen
zijzouden jengelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gejengeld hebben
jijzou gejengeld hebben
hijzou gejengeld hebben
wijzouden gejengeld hebben
julliezouden gejengeld hebben
zijzouden gejengeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjengel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Frequentative of janken (“to whine”), perhaps ultimately of imitative origin and related to Old French jangler (“to entertain”), as well as modern English jangle. See: Old French 'jangler', English 'jangle'.

Verbs referencing "jengelen"

English juggle, English jangle.

Additional Information