zemelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zemelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zemelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zemelend
Past participle - Verleden deelwoord: gezemeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzemel
jijzemelt
hijzemelt
wijzemelen
julliezemelen
zijzemelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezemeld
jijhebt gezemeld
hijheeft gezemeld
wijhebben gezemeld
julliehebben gezemeld
zijhebben gezemeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzemelde
jijzemelde
hijzemelde
wijzemelden
julliezemelden
zijzemelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezemeld
jijhad gezemeld
hijhad gezemeld
wijhadden gezemeld
julliehadden gezemeld
zijhadden gezemeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zemelen
jijzult zemelen
hijzal zemelen
wijzullen zemelen
julliezullen zemelen
zijzullen zemelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezemeld hebben
jijzult gezemeld hebben
hijzal gezemeld hebben
wijzullen gezemeld hebben
julliezullen gezemeld hebben
zijzullen gezemeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zemelen
jijzou zemelen
hijzou zemelen
wijzouden zemelen
julliezouden zemelen
zijzouden zemelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezemeld hebben
jijzou gezemeld hebben
hijzou gezemeld hebben
wijzouden gezemeld hebben
julliezouden gezemeld hebben
zijzouden gezemeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzemel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

The verb is derived from the noun zemel (“bran”).

Additional Information