magnetiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of magnetiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: magnetiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: magnetiserend
Past participle - Verleden deelwoord: gemagnetiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmagnetiseer
jijmagnetiseert
hijmagnetiseert
wijmagnetiseren
julliemagnetiseren
zijmagnetiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemagnetiseerd
jijhebt gemagnetiseerd
hijheeft gemagnetiseerd
wijhebben gemagnetiseerd
julliehebben gemagnetiseerd
zijhebben gemagnetiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmagnetiseerde
jijmagnetiseerde
hijmagnetiseerde
wijmagnetiseerden
julliemagnetiseerden
zijmagnetiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemagnetiseerd
jijhad gemagnetiseerd
hijhad gemagnetiseerd
wijhadden gemagnetiseerd
julliehadden gemagnetiseerd
zijhadden gemagnetiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal magnetiseren
jijzult magnetiseren
hijzal magnetiseren
wijzullen magnetiseren
julliezullen magnetiseren
zijzullen magnetiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemagnetiseerd hebben
jijzult gemagnetiseerd hebben
hijzal gemagnetiseerd hebben
wijzullen gemagnetiseerd hebben
julliezullen gemagnetiseerd hebben
zijzullen gemagnetiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou magnetiseren
jijzou magnetiseren
hijzou magnetiseren
wijzouden magnetiseren
julliezouden magnetiseren
zijzouden magnetiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemagnetiseerd hebben
jijzou gemagnetiseerd hebben
hijzou gemagnetiseerd hebben
wijzouden gemagnetiseerd hebben
julliezouden gemagnetiseerd hebben
zijzouden gemagnetiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmagnetiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information