lusten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lusten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lusten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lustend
Past participle - Verleden deelwoord: gelust

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklust
jijlust
hijlust
wijlusten
jullielusten
zijlusten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelust
jijhebt gelust
hijheeft gelust
wijhebben gelust
julliehebben gelust
zijhebben gelust

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklustte
jijlustte
hijlustte
wijlustten
jullielustten
zijlustten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelust
jijhad gelust
hijhad gelust
wijhadden gelust
julliehadden gelust
zijhadden gelust

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lusten
jijzult lusten
hijzal lusten
wijzullen lusten
julliezullen lusten
zijzullen lusten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelust hebben
jijzult gelust hebben
hijzal gelust hebben
wijzullen gelust hebben
julliezullen gelust hebben
zijzullen gelust hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lusten
jijzou lusten
hijzou lusten
wijzouden lusten
julliezouden lusten
zijzouden lusten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelust hebben
jijzou gelust hebben
hijzou gelust hebben
wijzouden gelust hebben
julliezouden gelust hebben
zijzouden gelust hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlust

Translations

  • covet, to have or indulge inordinate desire
  • like, enjoy
  • lust, strongly desire
  • lust, crave sexual contact
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] wilde uitscheiden, daar het mij verdroot, ik een jongen dolfijn ving. Ik had eene lange lijn van dun touw gemaakt, maar had geen hoeken; ik ving echter dikwijls veel visch; althans zoo veel als ik lustte; die ik allen in de zon droogde, en gedroogd at. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch lusten, from Old Dutch *luston, from Proto-West Germanic *lustōn. See: Old Dutch '*luston'.

    Additional Information