lobben – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lobben

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lobben
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lobbend
Past participle - Verleden deelwoord: gelobd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklob
jijlobt
hijlobt
wijlobben
jullielobben
zijlobben

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelobd
jijhebt gelobd
hijheeft gelobd
wijhebben gelobd
julliehebben gelobd
zijhebben gelobd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklobde
jijlobde
hijlobde
wijlobden
jullielobden
zijlobden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelobd
jijhad gelobd
hijhad gelobd
wijhadden gelobd
julliehadden gelobd
zijhadden gelobd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lobben
jijzult lobben
hijzal lobben
wijzullen lobben
julliezullen lobben
zijzullen lobben

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelobd hebben
jijzult gelobd hebben
hijzal gelobd hebben
wijzullen gelobd hebben
julliezullen gelobd hebben
zijzullen gelobd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lobben
jijzou lobben
hijzou lobben
wijzouden lobben
julliezouden lobben
zijzouden lobben

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelobd hebben
jijzou gelobd hebben
hijzou gelobd hebben
wijzouden gelobd hebben
julliezouden gelobd hebben
zijzouden gelobd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlob

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From English lob. See: English 'lob'.

Additional Information