loeien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of loeien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: loeien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: loeiend
Past participle - Verleden deelwoord: geloeid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikloei
jijloeit
hijloeit
wijloeien
jullieloeien
zijloeien

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geloeid
jijhebt geloeid
hijheeft geloeid
wijhebben geloeid
julliehebben geloeid
zijhebben geloeid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikloeide
jijloeide
hijloeide
wijloeiden
jullieloeiden
zijloeiden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geloeid
jijhad geloeid
hijhad geloeid
wijhadden geloeid
julliehadden geloeid
zijhadden geloeid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal loeien
jijzult loeien
hijzal loeien
wijzullen loeien
julliezullen loeien
zijzullen loeien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geloeid hebben
jijzult geloeid hebben
hijzal geloeid hebben
wijzullen geloeid hebben
julliezullen geloeid hebben
zijzullen geloeid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou loeien
jijzou loeien
hijzou loeien
wijzouden loeien
julliezouden loeien
zijzouden loeien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geloeid hebben
jijzou geloeid hebben
hijzou geloeid hebben
wijzouden geloeid hebben
julliezouden geloeid hebben
zijzouden geloeid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijloei

Translations

  • bell, to bellow
  • moo, to make a lowing sound
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    brullen
    gieren, huilen

    Sample Sentences

    Etymology

    Inherited from Middle Dutch loeyen, inherited from Old Dutch luoien, inherited from Proto-Germanic *hlōaną. See: Proto-Germanic '*hlōaną', Proto-Germanic '*hlōaną'.

    Additional Information