kwaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kwaken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kwaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kwakend
Past participle - Verleden deelwoord: gekwaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkwaak
jijkwaakt
hijkwaakt
wijkwaken
julliekwaken
zijkwaken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekwaakt
jijhebt gekwaakt
hijheeft gekwaakt
wijhebben gekwaakt
julliehebben gekwaakt
zijhebben gekwaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkwaakte
jijkwaakte
hijkwaakte
wijkwaakten
julliekwaakten
zijkwaakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekwaakt
jijhad gekwaakt
hijhad gekwaakt
wijhadden gekwaakt
julliehadden gekwaakt
zijhadden gekwaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kwaken
jijzult kwaken
hijzal kwaken
wijzullen kwaken
julliezullen kwaken
zijzullen kwaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekwaakt hebben
jijzult gekwaakt hebben
hijzal gekwaakt hebben
wijzullen gekwaakt hebben
julliezullen gekwaakt hebben
zijzullen gekwaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kwaken
jijzou kwaken
hijzou kwaken
wijzouden kwaken
julliezouden kwaken
zijzouden kwaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekwaakt hebben
jijzou gekwaakt hebben
hijzou gekwaakt hebben
wijzouden gekwaakt hebben
julliezouden gekwaakt hebben
zijzouden gekwaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkwaak

Verbs similar to 'kwaken'

kaken, kraken, kwakken, kweken, waken, bewaken, dwalen, kaaien, kalken, keken,

Translations

  • quack, to make a noise like a duck
  • croak, of a frog, to make its cry
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    snateren
    gakken, kwekken

    Sample Sentences

    Etymology

    From kwak (“quack”) + en.

    Verbs referencing "kwaken"

    German, old spelling quaken.

    Additional Information