krawaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of krawaken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: krawaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: krawakend
Past participle - Verleden deelwoord: gekrawaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkrawaak
jijkrawaakt
hijkrawaakt
wijkrawaken
julliekrawaken
zijkrawaken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekrawaakt
jijhebt gekrawaakt
hijheeft gekrawaakt
wijhebben gekrawaakt
julliehebben gekrawaakt
zijhebben gekrawaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkrawaakte
jijkrawaakte
hijkrawaakte
wijkrawaakten
julliekrawaakten
zijkrawaakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekrawaakt
jijhad gekrawaakt
hijhad gekrawaakt
wijhadden gekrawaakt
julliehadden gekrawaakt
zijhadden gekrawaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal krawaken
jijzult krawaken
hijzal krawaken
wijzullen krawaken
julliezullen krawaken
zijzullen krawaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekrawaakt hebben
jijzult gekrawaakt hebben
hijzal gekrawaakt hebben
wijzullen gekrawaakt hebben
julliezullen gekrawaakt hebben
zijzullen gekrawaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou krawaken
jijzou krawaken
hijzou krawaken
wijzouden krawaken
julliezouden krawaken
zijzouden krawaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekrawaakt hebben
jijzou gekrawaakt hebben
hijzou gekrawaakt hebben
wijzouden gekrawaakt hebben
julliezouden gekrawaakt hebben
zijzouden gekrawaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkrawaak

Verbs similar to 'krawaken'

kraaien, kraken, kwaken, bewaken, draaien, kaaien, kaken, kalken, klakken, knakken,

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information