klakken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of klakken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: klakken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: klakkend
Past participle - Verleden deelwoord: geklakt

Cognates

See the 3 cognates of klakken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikklak
jijklakt
hijklakt
wijklakken
jullieklakken
zijklakken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geklakt
jijhebt geklakt
hijheeft geklakt
wijhebben geklakt
julliehebben geklakt
zijhebben geklakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikklakte
jijklakte
hijklakte
wijklakten
jullieklakten
zijklakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geklakt
jijhad geklakt
hijhad geklakt
wijhadden geklakt
julliehadden geklakt
zijhadden geklakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal klakken
jijzult klakken
hijzal klakken
wijzullen klakken
julliezullen klakken
zijzullen klakken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geklakt hebben
jijzult geklakt hebben
hijzal geklakt hebben
wijzullen geklakt hebben
julliezullen geklakt hebben
zijzullen geklakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou klakken
jijzou klakken
hijzou klakken
wijzouden klakken
julliezouden klakken
zijzouden klakken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geklakt hebben
jijzou geklakt hebben
hijzou geklakt hebben
wijzouden geklakt hebben
julliezouden geklakt hebben
zijzouden geklakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijklak

Translations

  • cluck, to produce cluck sound
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Verbs referencing "klakken"

    English clack.

    Additional Information