kastijden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kastijden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kastijden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kastijdend
Past participle - Verleden deelwoord: gekastijd

Cognates

See the 2 cognates of kastijden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkastijd
jijkastijdt
hijkastijdt
wijkastijden
julliekastijden
zijkastijden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekastijd
jijhebt gekastijd
hijheeft gekastijd
wijhebben gekastijd
julliehebben gekastijd
zijhebben gekastijd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkastijdde
jijkastijdde
hijkastijdde
wijkastijdden
julliekastijdden
zijkastijdden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekastijd
jijhad gekastijd
hijhad gekastijd
wijhadden gekastijd
julliehadden gekastijd
zijhadden gekastijd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kastijden
jijzult kastijden
hijzal kastijden
wijzullen kastijden
julliezullen kastijden
zijzullen kastijden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekastijd hebben
jijzult gekastijd hebben
hijzal gekastijd hebben
wijzullen gekastijd hebben
julliezullen gekastijd hebben
zijzullen gekastijd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kastijden
jijzou kastijden
hijzou kastijden
wijzouden kastijden
julliezouden kastijden
zijzouden kastijden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekastijd hebben
jijzou gekastijd hebben
hijzou gekastijd hebben
wijzouden gekastijd hebben
julliezouden gekastijd hebben
zijzouden gekastijd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkastijd

Translations

  • trounce, to chastise or punish physically or verbally
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    geselen
    straffen, tuchtigen

    Sample Sentences

    • [...] zoo ik de genade des Hemels niet wilde erkennen in den afloop van de voorgaande gebeurtenis, was de volgende van dien aard, dat de verdorvenste en meest verharde onder ons, niet weigeren kon, er de kastijdende en reddende hand des Hemels in te zien. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    With hypercorrect -d- from Middle Dutch castîen, from Old Dutch kestigon, from Latin castīgō. Cognate with German kasteien, English castigate. See: Old Dutch 'kestigon', Latin 'castīgō', German, old spelling 'kasteien', English 'castigate'.

    Additional Information