kammen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kammen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kammen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kammend
Past participle - Verleden deelwoord: gekamd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkam
jijkamt
hijkamt
wijkammen
julliekammen
zijkammen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekamd
jijhebt gekamd
hijheeft gekamd
wijhebben gekamd
julliehebben gekamd
zijhebben gekamd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkamde
jijkamde
hijkamde
wijkamden
julliekamden
zijkamden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekamd
jijhad gekamd
hijhad gekamd
wijhadden gekamd
julliehadden gekamd
zijhadden gekamd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kammen
jijzult kammen
hijzal kammen
wijzullen kammen
julliezullen kammen
zijzullen kammen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekamd hebben
jijzult gekamd hebben
hijzal gekamd hebben
wijzullen gekamd hebben
julliezullen gekamd hebben
zijzullen gekamd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kammen
jijzou kammen
hijzou kammen
wijzouden kammen
julliezouden kammen
zijzouden kammen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekamd hebben
jijzou gekamd hebben
hijzou gekamd hebben
wijzouden gekamd hebben
julliezouden gekamd hebben
zijzouden gekamd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkam

Translations

  • comb, to groom the hair with a toothed implement
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From kam + -en. Displaced earlier kemmen (see there for further etymology), which is morphologically identical to kammen but was inherited from Proto-Germanic, demonstrating the effects of umlaut.

    Verbs referencing "kammen"

    Luxembourgish kämmen.

    Additional Information