kauwen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kauwen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kauwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kauwend
Past participle - Verleden deelwoord: gekauwd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkauw
jijkauwt
hijkauwt
wijkauwen
julliekauwen
zijkauwen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekauwd
jijhebt gekauwd
hijheeft gekauwd
wijhebben gekauwd
julliehebben gekauwd
zijhebben gekauwd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkauwde
jijkauwde
hijkauwde
wijkauwden
julliekauwden
zijkauwden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekauwd
jijhad gekauwd
hijhad gekauwd
wijhadden gekauwd
julliehadden gekauwd
zijhadden gekauwd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kauwen
jijzult kauwen
hijzal kauwen
wijzullen kauwen
julliezullen kauwen
zijzullen kauwen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekauwd hebben
jijzult gekauwd hebben
hijzal gekauwd hebben
wijzullen gekauwd hebben
julliezullen gekauwd hebben
zijzullen gekauwd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kauwen
jijzou kauwen
hijzou kauwen
wijzouden kauwen
julliezouden kauwen
zijzouden kauwen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekauwd hebben
jijzou gekauwd hebben
hijzou gekauwd hebben
wijzouden gekauwd hebben
julliezouden gekauwd hebben
zijzouden gekauwd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkauw

Translations

  • chew, to crush food with teeth prior to swallowing
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bijten
    knabbelen, knagen, knauwen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch cauwen, variant of couwen, cuwen, from Old Dutch *kiuwan, from Proto-West Germanic *keuwan, from Proto-Germanic *kewwaną. Though auw and ouw are now homophonous, they were formerly distinguished. The origin of the unexpected auw-vocalism is uncertain, but has been compared to English chaw versus chew. See: Proto-Germanic '*kewwaną', English 'chaw'.

    Verbs referencing "kauwen"

    English chew, English chaw, German, old spelling kauen, Sranan kaw, Alemannic German chüüwe.

    Additional Information